Het normale gangpatroon wordt bepaald
door verschillende factoren.
Belangrijk is
de
vorm van de botstukken
die samen de
gewrichten vormen en
bepalend is voor de bewegingsuitslag.
Andere belangrijke factoren zijn de
spieren, de pezen, banden en kapsels
die ervoor zorgen dat bewegingen ook
daadwerkelijk kunnen plaatsvinden.
De spieren zorgen niet alleen voor de
aanzet van de bewegingen, maar ook
voor het stabiliseren van de gewrichten
en niet te vergeten voor het afremmen
van de bewegingen.
INITIAL
CONTACT
Begint op het moment dat de hiel de grond raakt. Het been wordt in de
juiste positie
geplaatst voor de hiel rocker. De heup is geflecteerd, de knie is in extensie.
De tibialis anterior, de extensor hallucis
longus en de extensor digitorum longus zorgen voor dorsaalflexie
in het
bovenste spronggewricht.
LOADING RESPONS
Het lichaamsgewicht wordt van het achterste been naar het voorste been
overgebracht
en hierbij functioneert de ronde vorm van
de calcaneus als hiel rocker. De voet wordt
op de grond geplaatst door een passieve plantair flexie beweging in het
bovenste
spronggewricht. De tibialis anterior remt
deze beweging af om te voorkomen dat
de voet met een klap tegen de grond komt
en zorgt er tegelijkertijd voor dat de tibia
naar voren beweegt. De knie is licht geflecteerd en fungeert als schokdemper.
Deze beweging wordt afgeremd door de quadriceps femoris om het door
de knie
zakken te voorkomen.
Het andere been prepareert zich voor de zwaai.
MID
STANCE
In deze eerste helft van de unipedale fase beweegt het been over de voet.
Er vindt
een dorsale flexie in het bovenste spronggewricht plaats. Dit keer
fungeert
de enkel als rocker. De tibialis anterior die
in de vorige fase deze voorwaartse
beweging initieerde wordt nu geholpen
door de quadriceps femoris. De plantair
flexoren, de triceps surae en voor een
klein deel de flexor digitorum longus, de
flexor hallucis longus, de peroneus longus
en de peroneus brevis remmen deze beweging af. Het andere been is inmiddels
het zwaaibeen en passeert op dit moment
het standbeen. Extensie in de knie zorgt voor de stabiliteit.
TERMINAL
STANCE
Tijdens deze tweede helft van de unipodale
fase beweegt het lichaam over de voorvoet
rocker. Het bovenste spronggewricht wordt
min of meer op slot gezet door de soleus en
de gastrocnemius om de hiellift mogelijk te
maken. Deze fase eindigt met de knie in
lichte flexie op het moment dat de andere
voet de grond raakt.
PRE
SWING
Deze fase is de preparatie voor de zwaai en
de tweede bipedale fase. Tot de toe-off
zorgen de soleus en de gastrocnemius voor een toenemende plantair flexie
in het bovenste spronggewricht.
De hiel is aan het einde van deze fase maximaal gelift. De knie gaat meer
flecteren.
INITIAL
SWING
De voet komt van de grond en het been
zwaait naar voren. Deze beweging wordt ingezet door de heupflexoren.
De tibialis anterior, de extensor hallucis
longus en de extensor digitorum longus
zorgen voor dorsaal flexie in het bovenste spronggewricht zodat het been
kan zwaaien
zonder dat de voet over de grond sleept.
Actie van de gastrocnemius zorgt voor nog
meer flexie in de knie. Het andere been is
nu aan het begin van de unipedale standfase.
MID SWING
Het been zwaait voorbij het standbeen. Actie van de quadriceps femoris
zorgt voor een extensie beweging in de knie.
TERMINAL SWING
Deze fase is een preparatie voor initial
contact.
Om de zwaai af te remmen en de
voet weer naar de grond te krijgen zorgen
de extensoren voor een verminderde
flexie in de heup. De knie is nu volledig in extensie. De voet is in dorsaal
flexie tot
neutraal. Het andere been is nu aan het
einde van de standfase.
Bij de normale afwikkeling
van de voet raakt de hiel
tijdens initial contact als
eerste de grond. De stand
van de calcaneus is in
inversie en hielcontact vindt
aan de laterale zijde van de
voet plaats. Dit moment is van
zeer korte duur en nauwelijks
met het blote oog zichtbaar.
Meteen nadat de hiel
grondkontact gemaakt heeft
vindt er tijdens loading
respons een snelle pronatie
in het subtalaire gewricht
plaats. Deze pronatie is nodig
voor de schokdemping en is
het grootst het begin
van mid
stance. Daarna is er een
langzame
reverse beweging
van het het subtalaire
gewricht van pronatie naar
supinatie tijdens
terminal
stance. Gelijktijdig wordt de
hiel
gelift en vindt er een
dorsaalflexie van
ongeveer
21 graden in het metatarso-phalangeale gewricht plaats.
Om de hallux te kunnen
afwikkelen zal het gewicht
over de caput metatarsalia
van de laterale zijde naar de
mediale zijde worden
verplaatst. De voet zal
opnieuw proneren. Aan het
einde van pre-swing is
het
metatarso-phalangeale
gewricht in ongeveer
55 graden dorsaalflexie.